03/06/2026
De Grote Vergadering in 1651 te ‘s-Gravenhage. Een prachtige plaat gesitueerd in de al even mooie Ridderzaal. Vele vaandels met Bourgondische kruisen, vaandels van Het Gulden Vlies en vaandels die van de Spanjaarden afgepakt zijn, hangen aan de boogvormige houten zoldering uit de 13e eeuw. Speciaal voor deze ‘grote vergadering’ werden de boekverkopers en handelaren met hun kramen de Ridderzaal uitgebonjourd om plaats te maken voor een afvaardiging van de zeven gewesten van zo’n 300 man.
Maar wat was er nu precies aan de hand? Wat speelde zich hier nu in onze hofstad af? En welke grote en belangrijke vergadering is dat nou geweest? Daar moet vast iets heel belangrijks gebeurd zijn, daar halverwege de Gouden Eeuw. Maar wat? Een klein geschiedenislesje waarvoor we even terug gaan naar het begin van de 17e eeuw. De Nederlanden, toen nog midden in de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spanjaarden, werden geleid door Prins Maurits, die stadhouder was. En deze ‘baan’ van de Oranjes was erfelijk. Tot 1619 deed hij dat nog samen met Van Oldenbarnevelt, maar na wat tweespalt verloor onze raadpensionaris zijn hoofd op het Binnenhof. Zes jaar later was het Maurits’ b***t om het aardse met het hemelse te verwisselen. Na zijn overlijden in 1625 werd dat stokje overgenomen door Frederik Hendrik (getrouwd met Amalia van Solms). En onder leiding van Frederik Hendrik, de stedendwinger, bleef de immer durende Opstand voorspoedig verlopen. Het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 (Vrede van Münster) mocht Frederik Hendrik echter niet meer meemaken. Hij overleed een jaar eerder in 1647. Zijn zoon Willem II volgde hem op. Hij stierf echter al in 1650 op 24 jarige leeftijd aan de waterpokken, kinderloos. Zijn vrouw Mary Stuart schonk hem acht dagen later alsnog een zoon; Willem III. Zo werd het stadhouderschap voor de Oranjes toch nog veilig gesteld, dacht men…
Maar toen kwam de Grote Vergadering van 1651. De vraag was of men na de dood van Willem II het land in handen van één persoon, de stadhouder, wilde geven. Willem had zich in de korte tijd dat hij stadhouder was nou niet heel geliefd gemaakt bij de Staten, waar Holland veruit de belangrijkste van was. Men besloot aan het eind van deze vergadering om zonder stadhouder verder te gaan: Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk was aangebroken. En met raadpensionaris Johan de Witt aan het roer gingen de zaken zeer voor de wind. Amsterdam groeide in die tijd uit tot de belangrijkste handelsstad ter wereld, met als uithangbord daarvan het nieuwe stadhuis op de Dam (het huidige Paleis). En er verschenen door alle welvaart meer ‘paleisjes’ aan de grachten. Daarnaast sticht Jan van Riebeeck in 1652 de verversingspost Kaap de Goede Hoop en de Tocht naar Chatham, met Michiel de Ruyter en Cornelis de Witt, in 1667 is ook een groot succes. Ondanks verscheidene twisten met andere landen is er volop rijkdom en voorspoed in de Verenigde Republiek der Nederlanden. Tot 1672 dan, het rampjaar. Nederland wordt aan alle kanten door meerdere landen aangevallen. Ter land door Frankrijk, ter zee door Engeland en door de lucht; vanuit het oosten door de bisdommen Keulen en Münster, waarbij bisschop ‘Bommen Berend’ met zijn leger menig ‘vuurwerk’ richting onze steden schiet. Het land was reddeloos, de regering radeloos en het volk redeloos. En met name dat laatste, resulteerde in het einde van Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk; Willem III werd de nieuwe stadhouder en Johan de Witt eindigde samen met zijn broer Cornelis op ‘t Groene Zootje, dood en ontdaan van menig lichaamsdeel en orgaan. (Zo ligt de tong van Johan hemelsbreed zo’n 200 meter verder in het Haags Museum.)
De heren op de schoolplaat hebben daar in 1651 nog geen weet van. Links staan de voorstanders van afschaffing van het stadhouderschap met daarbij Johan de Witt (4e van links), met naast hem zijn vader Jacob de Witt. Rechts de gematigden en tegenstanders van de afschaffing. De staatsman en dichter Jacob Cats (in de grijze mantel), die de vergadering opende, houdt een praatje met hen.
En al dit fraais werd bijna 300 jaar later op de plaat gezet door de alom bekende Johan Isings.