16/07/2026
Quintijn Schenkel, onderwijsmanager Luzac, over kinderen die ook in 2026 nog wachten op een passende onderwijsplek:
In het opniestuk van Harriet Duurvoort van 14 juli 2026 in de Volkskrant over las ik de volgende zin:
"Toch ontbreekt vaak een wettelijke basis voor tijdelijk thuisonderwijs of kleinschalige alternatieven."
Ik denk dat deze zin een nuance kan gebruiken. De wet biedt ruimte om voor leerlingen maatwerkarrangementen te organiseren. In de praktijk wordt die ruimte ook benut. Reguliere scholen, samenwerkingsverbanden en particuliere onderwijsaanbieders werken op verschillende plekken in het land al samen om leerlingen weer tot leren te brengen.
De beschikbaarheid van dergelijke oplossingen verschilt echter sterk per regio. Wat in de ene regio mogelijk blijkt, lijkt elders ondenkbaar. Niet omdat de wet anders is, maar omdat kennis, ervaring en interpretatie verschillen. Dat is een ongemakkelijke constatering. Want de kansen van een leerling zouden niet afhankelijk mogen zijn van zijn of haar postcode.
De Onderwijsinspectie kan hierbij een belangrijke rol spelen. Niet als partner in het stelsel, maar juist vanuit haar onafhankelijke positie als toezichthouder. Door zichtbaar te maken welke ruimte er is, goede voorbeelden te signaleren en aandacht te vragen voor regionale verschillen kan zij bijdragen aan meer duidelijkheid en consistentie.
Bij discussies over samenwerking met particuliere onderwijsaanbieders komt al snel het onderwerp op tafel. Dat is begrijpelijk. Het gesprek hierover moeten we blijven voeren. In deze bijdrage staat echter een andere vraag centraal: ‘Hoe zorgen we ervoor dat iedere leerling, in iedere regio, toegang heeft tot dezelfde mogelijkheden?’
Misschien is het tijd om minder energie te steken in de vraag of het mag en meer in de vraag hoe we voor ieder kind het beste onderwijs organiseren. Daar ligt volgens mij de echte opgave. Laten we ons inzetten voor alle kinderen die vandaag wachten op een passende onderwijsplek.