14/08/2026
De laatste jaren denk ik regelmatig na over onderdrukking. Niet alleen als iets wat voorkomt in geschiedenisboeken, dictaturen of verre landen, maar vooral over wat er in een mens gebeurt wanneer die jarenlang het gevoel heeft niet vrij te zijn.
Misschien houdt dat onderwerp me ook zo bezig omdat ik er, op totaal verschillende manieren en in totaal verschillende verhoudingen, iets in herken.
Ik spreek, steun, coach en begeleid regelmatig een Eritrese man van in de vijftig in de bibliotheek. We oefenen Nederlands, bespreken praktische zaken en praten vooral veel over het leven.
Langzaam heb ik daardoor ook meer van zijn levensverhaal leren kennen.
Hij heeft, zoals een groot deel van de Eritrese mannen en vrouwen, jarenlang in de dienstplicht gezeten. Hij moest oorlog voeren tegen Ethiopië terwijl hij dat zelf helemaal niet wilde. Hij vertelt over een systeem waarin hij nauwelijks zeggenschap had over zijn eigen leven en waarin hij zich tijdens zijn diensttijd eerder als een soort slaaf behandeld voelde dan als iemand die zelf mocht bepalen wat hij met zijn leven deed.
Dat zijn ervaringen die ik niet uit eigen ervaring ken en die ik ook niet met de mijne gelijk wil stellen.
Maar wanneer wij praten, herken ik soms iets in wat langdurige onderdrukking psychologisch met een mens kan doen.
En misschien raakt juist dát mij.
Ik heb door de jaren heen veel gelezen over dictaturen en totalitaire systemen. Solzjenitsyn en andere Russische schrijvers, de Sovjet-Unie, Noord-Korea, maar ook psychologie over macht, gehoorzaamheid, trauma, groepsdruk en aangeleerde hulpeloosheid.
Wat mij daarin steeds opnieuw fascineert, is dat onderdrukking op een gegeven moment niet meer alleen van buitenaf hoeft te komen.
Ze kan naar binnen verhuizen.
Je leert jezelf corrigeren voordat iemand anders dat hoeft te doen.
Je voelt voortdurend aan wat er van je verwacht wordt.
Je probeert geen fouten te maken.
Je past je aan.
Je loopt mee.
En uiteindelijk raak je misschien steeds verder verwijderd van de vraag:
Wat wil ík eigenlijk?
Als ik daarover nadenk, moet ik onvermijdelijk ook aan mijn eigen jeugd denken.
Mijn schooltijd heb ik jarenlang als verschrikkelijk ervaren. Ik werd veel gepest, voelde me opgesloten in een systeem waarin ik iedere dag opnieuw moest functioneren en aanpassen, terwijl ik me totaal niet op mijn plek voelde.
Ik weet nog dat ik school toen in mijn eigen hoofd weleens met een concentratiekamp vergeleek.
Niet omdat dat historisch ook maar enigszins dezelfde werkelijkheid was. Natuurlijk niet.
Maar het zegt wel iets over hoe opgesloten en onderdrukt ik mij als kind voelde.
Ik wilde eruit.
Ik wilde niet iedere dag opnieuw naar een omgeving waarin ik het gevoel kreeg dat mijn natuurlijke manier van zijn niet paste.
En tegelijkertijd leerde ik precies datgene te doen wat mensen vaak doen wanneer ontsnappen niet mogelijk voelt:
aanpassen.
Ik leerde meelopen.
Kijken naar anderen om te begrijpen hoe ik hoorde te zijn.
Mijn eigen signalen negeren.
Dingen doen omdat anderen ze deden.
Mezelf veranderen om ergens bij te kunnen horen.
En ergens onderweg raakte ik steeds verder van mezelf verwijderd.
Later kwamen daar middelen bij.
Wat aanvankelijk verdoving, ontsnapping, erbij horen of even niet hoeven voelen was, groeide uiteindelijk uit tot verslaving.
Als ik daarop terugkijk, zie ik niet alleen iemand die verkeerde keuzes maakte.
Ik zie vooral iemand die nauwelijks wist wie hij zelf eigenlijk was.
Ik liep mee met anderen. Zocht bevestiging buiten mezelf. Ging over mijn eigen grenzen heen. Paste me voortdurend aan. En raakte uiteindelijk zo ver van mijn eigen kompas verwijderd dat ik nauwelijks nog wist welke richting werkelijk van mij was.
Daarom raken de gesprekken met deze Eritrese man mij soms meer dan hij waarschijnlijk beseft.
Onze levens zijn niet hetzelfde.
Onze vormen van onderdrukking zijn niet hetzelfde.
Het zou verkeerd zijn om ze gelijk te stellen.
Maar onder al die verschillen herken ik soms wel hetzelfde menselijke mechanisme:
wanneer je lang genoeg leert dat jouw eigen wil, gevoel of manier van zijn niet veilig, gewenst of belangrijk is, kun je uiteindelijk jezelf gaan onderdrukken.
En juist daar zie ik ook een verbinding met autisme en maskeren.
Veel mensen met autisme groeien op met kleine en grote correcties.
Niet zo kijken.
Wel aankijken.
Niet zo reageren.
Niet zo gevoelig doen.
Doe eens normaal.
Praat wat meer.
Praat wat minder.
Stel je niet aan.
Pas je aan.
Na duizenden van zulke ervaringen hoeft uiteindelijk niemand meer naast je te staan om je te corrigeren.
Je neemt het werk over.
Je controleert jezelf.
Je analyseert jezelf.
Je onderdrukt behoeften.
Je scant anderen om te ontdekken wat de juiste reactie is.
Je vraagt je niet meer af wat natuurlijk voelt, maar wat er van je verwacht wordt.
De corrector is onderdeel van jezelf geworden.
En daarom vind ik "wees gewoon jezelf" soms zo'n ingewikkeld advies.
Want wat als je jezelf jarenlang hebt aangeleerd om jezelf juist níét te zijn?
Wat als aanpassen ooit noodzakelijk voelde om erbij te horen, afwijzing te voorkomen of überhaupt overeind te blijven?
Dan is stoppen met maskeren niet simpelweg een masker afzetten waaronder een volledig intacte persoon tevoorschijn komt.
Misschien moet je die persoon gedeeltelijk opnieuw leren kennen.
En hoe ouder ik word, hoe sterker ik het gevoel krijg dat daar misschien wel een belangrijk deel van mijn roeping ligt.
Niet alleen bij autisme uitleggen.
Niet alleen bij mensen helpen beter te functioneren binnen de wereld zoals die nu eenmaal is.
Maar juist bij dat diepere proces:
wat doen we met datgene wat ons heeft onderdrukt, gevormd, beschadigd of van onszelf verwijderd?
Want ik merk dat mijn aandacht steeds minder alleen naar de onderdrukking zelf gaat.
Steeds meer interesseert mij wat daarna mogelijk is.
Hoe maak je van iets wat je jarenlang gevangenhield uiteindelijk iets anders?
Niet door het verleden mooier te maken dan het was.
Niet door te zeggen dat pijn "ergens goed voor geweest zal zijn".
Maar door te onderzoeken of datgene wat je heeft gevormd ook getransmuteerd kan worden.
Dat woord spreekt mij steeds meer aan: transmutatie.
Iets hoeft niet te verdwijnen om van betekenis te veranderen.
Pijn kan begrip voortbrengen.
Machteloosheid kan gevoeligheid voor de machteloosheid van anderen worden.
Jarenlang aanpassen kan uiteindelijk een scherp inzicht geven in hoe mensen zichzelf verliezen.
Verslaving en jezelf kwijtraken kunnen later een ingang worden om iemand anders te begrijpen die eveneens niet meer weet hoe hij terug moet komen bij zichzelf.
En misschien gaat het uiteindelijk nog een stap verder dan transmutatie.
Naar iets wat ik bijna transfiguratie zou noemen.
Niet alleen het oude omvormen, maar vanuit dat proces zelf anders in het leven komen te staan.
Niet terugkeren naar degene die je vóór alle pijn was — want misschien bestaat die persoon niet meer.
Maar iemand worden die alles wat gebeurd is in zich draagt, zonder er nog volledig door bestuurd te worden.
Als ik terugkijk, zie ik steeds meer een rode draad.
Mijn schooltijd.
Het pesten.
Autisme en maskeren.
Meelopen met anderen.
Verslaving.
Mezelf volledig kwijtraken.
Daarna jarenlang zoeken naar psychologie, filosofie, spiritualiteit en betekenis.
Gelukkig Autisme beginnen.
Andere mensen ondersteunen.
En nu gesprekken voeren met een man die letterlijk uit een onderdrukkend systeem komt en samen met hem zoeken naar meer zelfstandigheid, taal, vertrouwen en richting.
Misschien zijn dat achteraf helemaal geen losse hoofdstukken.
Misschien gaat een groot deel van mijn leven steeds opnieuw over dezelfde beweging:
Van onderdrukking naar vrijheid.
Van aanpassing naar eigenheid.
Van machteloosheid naar betekenis.
Van overleven naar leven.
En misschien is dat ook steeds meer wat ik met Gelukkig Autisme wil doen.
Niet mensen leren hoe ze nóg beter kunnen voldoen aan alles wat van hen verwacht wordt.
Maar samen onderzoeken wat er onder al die lagen van aanpassing zit.
Wat van jou is.
Wat je hebt overgenomen.
Wat ooit noodzakelijk was maar nu niet meer nodig is.
En wat je kunt maken van alles wat je onderweg hebt meegedragen.
Misschien begint vrijheid namelijk niet op het moment dat niemand je meer vertelt wat je moet doen.
De moeilijkste vorm van vrijheid begint misschien pas daarna.
Wanneer je de stemmen die zich in jezelf hebben gevestigd leert herkennen.
Wanneer je niet langer automatisch gehoorzaamt aan angst, schaamte, groepsdruk en verwachtingen.
Wanneer je opnieuw leert vertrouwen op je eigen waarneming.
Je eigen grenzen.
Je eigen stem.
Je eigen richting.
En misschien is dát uiteindelijk de beweging waar ik mij steeds meer op wil richten:
niet ontkennen wat ons gevormd heeft, maar het transformeren tot iets wat ons niet langer gevangenhoudt.
Zodat datgene wat ons ooit klein maakte uiteindelijk niet het einde van ons verhaal wordt.
Maar materiaal waarmee we iets nieuws kunnen vormen.