21/02/2023
In het Nederlands zijn voorzetsels heel belangrijk. Voorzetsels zijn worden die een richting, plaats of relatie aangeven. Je gebruikt ze altijd samen met een ander woord.
Hieronder vind je een aantal voorbeelden van voorzetsels en hoe je ze kunt gebruiken. De voorzetsels zijn zwart.
Met een voorzetsel kun je een ๐ฉ๐ฅ๐๐๐ญ๐ฌ aangeven:
๐ Hij staat ๐ฏ๐จ๐จ๐ซ het huis.
๐ Hij is ๐ข๐ง het huis.
๐ Hij zit ๐๐๐ก๐ญ๐๐ซ het huis.
Met een voorzetsel kun je een ๐ญ๐ข๐ฃ๐ aangeven:
๐ Ik ben hier ๐ฌ๐ข๐ง๐๐ฌ vorige week.
๐ Zij blijft hier ๐ญ๐จ๐ญ morgen.
๐ Hij begint ๐ฉ๐๐ซ vandaag.
Met een voorzetsel kun je een ๐ซ๐๐ฅ๐๐ญ๐ข๐ aangeven:
๐ Ik ga ๐ฆ๐๐ญ mijn buurvrouw naar de markt.
๐ Deze auto is ๐ฏ๐๐ง mij.
๐ Ik ga liever ๐ณ๐จ๐ง๐๐๐ซ haar.
๐๐๐ฅ๐๐ง๐ ๐ซ๐ข๐ฃ๐ค๐ ๐ฏ๐จ๐จ๐ซ๐ณ๐๐ญ๐ฌ๐๐ฅ
aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder.
๐ฉโ๐ซ Taalschool Youtaal helpt jou met het leren van Nederlands. Meer weten? โ๏ธ020-73 72 70 8.