26/05/2019
π hier geloven we ook niet in βlastigeβ kinderen
Wijze woorden en helende handen...
(Voor wie zin heeft in een mooi lekker lang verhaal over heel bijzondere kinderen en hoe ik met ze werk)
Β©Manja Gruson
Een dinsdag op een school ergens in Amsterdam. Ik val in voor een groep 4 voor wie ik een mooi beeldend dagprogramma over emoties heb samengesteld.
De juf die mij wegwijs maakt, waarschuwt me voor drie lastige jongens in de klas. Of ik alvast hun namen wil weten? Ik zeg altijd nee op deze vraag. Niet alleen weet ik zelf in de eerste minuten al wat voor vlees ik in de kuip heb, maar vooral wil ik ieder kind een schone lei in mijn ogen gunnen.
Er was geen klas waar ik voor stond die niet twee of drie 'lastige' kinderen heeft. Vaak bekruipt me het gevoel dat hier een kosmische wet regeert die voorschrijft dat binnen iedere groepsdynamiek een vaste kwantiteit dwarslig-energie voorkomt die nu eenmaal zijn weg naar buiten moet vinden via twee of drie levende lichamen. Wat een pech als jij diegene bent! En hoe moeilijk om je aan dat stigma te ontworstelen! Sterker nog; als er geen pedagogisch zeer sterke leerkracht voor de klas staat, maakt de hele klaskudde misbruik van de zwakste schakels die zwakker en zwakker worden in hun positie en steeds minder liefde en goedkeuring ontvangen.
Wie er adhd zou hebben, een disharmonisch profiel of een tos (taalontwikkelingsstoornis) wil ik dus niet weten.
Nu ben ik hier met een prachtig prentenboek over een kleurenmonster dat in de war is. Een meisje helpt hem zijn kleuren, ofwel zijn gevoelens, uit elkaar te halen, te ordenen en te begrijpen. We zullen zelf een boek over een monster met verschillende emoties gaan maken vandaag, en als gebruikelijk leent het thema zich perfect voor spontane gesprekken over alle mogelijke grote en kleine crisissituaties gedurende de dag die zich nu eenmaal onder alle kinderen voordoen. Van ruzies bij het buitenspelen tot en met verdriet om thuissituaties.
De kinderen zijn een en al oor als ik mijzelf introduceer en over mijn kindertijd en andere persoonlijke ervaringen vertel. Ze vragen me net als in iedere andere klas, honderduit; over mijn lievelingstekening, mijn sieraden, mijn kinderen, mijn kat, wat ik zo leuk vind aan tekenen. En ze vragen me naar mijn vader, omdat ik altijd vertel hoe hij mij onbewust β als de overkritische weinig emphatische perfectionist en begenadigd tekenaar die hij zelf was - ontmoedigde om in mijn creatieve vermogens te geloven. Wat mij later juist met alle intensiteit en hartevuur heeft doen beslissen holistisch tekenjuf te worden, met de boodschap 'teken om het plezier, of je nu talent hebt of niet want tekenen is expressie.' Hoe het nu met mijn vader gaat en of hij nog tekent? Hij is dement? Daar hebben sommige kinderen ervaring mee. Ze hebben medelijden met mijn vader. En of ik foto's heb van hoe mooi hij dan tekende?
Al snel tekenen de contouren van de onfortuinlijke schakels in de groep zich af. Dat wil zeggen; de schakels die als lastig beschouwd worden in de dagelijkse realiteit. Een van hen, een jongen (F.) die graag direct zegt wat hij denkt, vraagt of mijn vader toevallig een baard heeft? Dat klopt. Ik zeg 'zie je een soort foto van hem in je hoofd?' Ja antwoordt F., dat heeft hij wel vaker. Hij weet ook andere dingen soms van te voren. Ik zeg dat hij heel helder ziet. Tevreden luistert hij verder. De klas kijkt stil verwonderd naar hun fameus drukke klasgenoot. Dit wisten ze nog niet van hem.
Al praat ik uit mezelf nooit over spiritualiteit in de klas, ik weet dat ik de kinderen door mijn eigen energie uitnodig zich te openen hierover. En ik weet dat hun spirituele ervaringen voor hen vaak normaal zijn, maar voor de wereld om hen heen zeker niet. Bij een vorige invalklus kwam een jongen uit groep 5 mij vertellen over zijn levendige herinneringen aan een vorig leven. En zo kan ik nog veel andere voorbeelden aanhalen.
Vlak voor de grote pauze komt 'onfortuinlijke schakel' nummer twee de klas binnen. Verlaat wegens doktersbezoek.
Ik zie het meteen. Nurks, zonder mij aan te kijken, loopt hij (G.) door het lokaal naar zijn plek. Zijn hele houding zegt 'als je maar niet denkt dat ik leuk met jou mee ga doen'. De kinderen zijn ondertussen lekker aan het tekenen. G. weigert. Hij wil op de computer. Dat mag vandaag niet helaas. Boos stuift hij de gang op. Ik loop hem achterna. Hij zit ineengedoken op een tafel. Ik ga bij hem zitten en vraag hem rustig wat er met hem gebeurt, of hij het misschien vervelend vindt dat hij later dan de rest is binnengekomen en daardoor een deel van de les heeft gemist? Ik leg hem uit dat ik nooit iemand dwing mijn opdrachten uit te voeren, dat we samen kunnen bedenken wat hij kan doen. Omdat ik zacht en open praat wordt het lastig voor hem om boos te blijven. 'En ik heb honger en ik heb ook al geen eten mee!' roept hij uit. Ik geef hem mijn ontbijtkoekreep. We gaan naar binnen. Ik geef hem wat ruimte. De ergste weerstand is weg. Niet te veel er boven op zitten en vooral veel positieve aandacht geven is mijn standaard aanpak.
Na de grote pauze en buitenspelen komt F. (die van het helder zien) heel ongelukkig binnen. Terwijl de tranen hem in de ogen springen vertelt hij me dat niemand met hem wilde spelen. Als iedereen rustig zit besluit ik er direct een klassengesprek over te starten zonder F. te noemen. 'Wie heeft er wel eens meegemaakt dat er niemand met je wilde spelen of wie heeft er wel eens buiten een kind gezien dat verdrietig was omdat niemand met hem of haar wilde spelen en wat kun je in die twee situaties doen?' De kinderen hebben talloze tips. F. vertelt nu zelf dat hij zich heel alleen voelde in de pauze. Bijna vlamt er weer een ruzie op. Iets met zand in ogen, dat niet zo bedoeld was maar wel pijn deed en direct hard op zelfde wijze geretourneerd werd.. Snel buig ik het gesprek om naar constructief praten. F. voelde zich alleen en verdrietig. Wat had hij fijn gevonden als anderen hadden gedaan buiten? Wat had hij zelf kunnen doen?
'Ik zou willen dat we allemaal gewoon lief met elkaar waren', zegt hij, 'gewoon vriendelijk. Met vrede. Want er is op de wereld ook overal oorlog. Ook in het land van mijn familie.' De kinderen luisteren met ontzag. En wat heeft hij nu nodig vraag ik. Een knuffel misschien? Hij haalt zijn schouders op. Misschien wel fluistert hij.
Zijn buurjongen staat op en slaat zijn armen om hem heen. Er volgt een ander kind, en nog een, en nog een. F. verdwijnt in een grote groepsknuffel. Is het nog fijn, F.? Vraag ik? Ja, zegt F. dat voelde best wel heel erg fijn.
We praten nog wat over boos worden en onrust. Hoe kun je jezelf kalmeren? Hoe doen de kinderen dat? Er worden mooie voorbeelden gegeven. Van een boekje lezen, tot een slokje water halen, diep ademen, even knuffelen met pappa of mamma of mediteren.
Ineens besef ik dat ik al een tijd niets van G. gemerkt heb (die van de computerwens en de vergeten lunch). Ik kijk in de klas, naar zijn plekje. G. zit niet aan zijn tafel. Hij staat achterin de klas. Zijn mond een beetje open luistert hij aandachtig naar alles wat er gezegd wordt over kalmeren. Ondanks zijn voornemens absoluut tegen te zijn, tegen wat dan ook, is hij gefascineerd. Hij is vergeten dat hij wilde rebelleren. Wat doe jij om kalm te worden G.? Vraag ik. Hij zegt dat hij dan op zijn bed gaat liggen. Maar dat hij het heel moeilijk vindt om niet boos te worden als hij niet op de computer of zijn telefoon mag van zijn moeder. Dat hij dan soms zelfs de telefoon op de grond smijt van woede. De kinderen begrijpen β of herkennen β dit van hem. Er komen meer voorbeelden.
En dan, terwijl we zo gemoedelijk doorpraten, zie ik ineens verbluft wat G. aan het doen is: hij heeft zijn handen op de schouders van J. gelegd en masseert deze zachtjes. 'Oh kijk nou!' zeg ik, dat is een mooi voorbeeld zeg! Masseren is een van de fijnste manieren om te kalmeren, wat fantastisch, doen jullie dat vaker? Nee, de klas heeft dit nooit eerder gedaan. Van G. kennen ze dit ook absoluut niet (integendeel, van hem zijn ze agressie en ruzies gewend). Ik prijs G. de hemel in en zeg is het een goed idee als G. langs loopt om iedereen te masseren? G.? Wil jij dat? Kinderen? Iedereen is enthousiast. Meerderen willen ook masseren. Maar ik wil deze exclusiviteit aan G. voorbehouden. Het is iets speciaals. Hij heeft het nodig. De klas ook. Hij wil het wel graag samen doen met iemand. Dat mag. Hij kiest een verlegen meisje uit. Samen lopen ze bij iedereen langs. Ik zie hoe G. behoedzaam zijn handen op schouders plaatst en vraagt 'is het zo fijn? Wil je harder of zachter?' Ik krijg er kippevel van. Wat gebeurt hier? Ik zeg tegen G. dat hij speciale handen heeft. Met energie die heelt. En of hij dit wist? Hij weet niet goed wat te antwoorden. Hij wist het niet en toch ook wel.
De rest van de dag heb ik geen kind aan G. En F. is verwoed aan zijn boek over emoties aan het werken. Hij maakt een gedetailleerde voetnootopsomming achterin zijn boek 'emoties en alles wat je daar over kunt leren zoals diep adem halen om rustig te worden'. Hij komt naast me zitten en werkt de hele middag als een bezetenen. Hij zegt 'ik vind jou een hele lieve juf. Kom je morgen weer?'
Als de dag om is, en ik de kinderen buiten aan hun ouders overdraag, komt de vader van F. naar me toe. In gebrekkig Nederlands vraagt hij of het goed is gegaan; 'F. heel druk, hij niet luisteren!' Ik zeg 'nee helemaal niet! F. heeft het hardst gewerkt van allemaal, de hele middag. En wat is hij wijs uw zoon, hij heeft mij en de klas uitgelegd dat we allemaal liever voor elkaar moeten zijn. Hoe bijzonder is dat?!' Op het gezicht van de vader van F. breekt een lach van oor tot oor door. Het kleine zusje van F. kijkt me dankbaar aan. Ik hoor haar bijna denken 'hehe, eindelijk iemand die het ziet hoe bijzonder mijn grote broer is'. F. blijft mijn hand vasthouden. 'Ik vind jou heel leuk', zegt hij weer, 'en ik jou jongen, zeg ik. Wat ben jij een lieverd!'
Later die middag hoor ik van de juf die mij wegwijs maakte dat F. vanwege zijn autisme veel aanvaringen en problemen in de klas heeft. Met G. weten ze al helemaal geen raad. Ze hopen dat hij naar het speciaal onderwijs kan.
De volgende dag mag ik weer invallen in deze klas. G. komt binnen met zijn moeder. Ik schiet haar even aan en zeg 'goh wat heeft u een bijzondere zoon', ze kijkt me verbaasd aan, het lijkt even niet tot haar door te dringen. Dan vertel ik haar dat hij de kinderen uit de klas heeft gemasseerd, op een heel zachtaardige bijzondere manier. Dat ik denk dat hij een gave heeft, een helend vermogen, of zij dit wist? Ze zegt ja, in de familie hebben meerderen van ons dit. U bent de eerste op school ooit die dit ziet en zegt. Het gaat altijd over hoe achter hij is met leren en wat er allemaal niet goed gaat. Nog nooit heeft iemand dit gezien en gezegd. Oh wat fijn. Oh, wauw. Bedankt. Ik benadruk haar dat ze moet zorgen dat hij iets kan doen met zijn energetische talent. G. zit er naast en kijkt besmuikt, heel voorzichtig blij, van mij naar zijn moeder en terug. Moeder vertrekt met het hoofd omhoog. Zegt nog drie keer dankuwel.
En G.? Hij loopt tevreden naar zijn plek. Zijn hele houding zegt 'echt wel dat ik vandaag met jou mee ga doen.'
Ik buig voor de 'moeilijke kinderen' van deze wereld. De kinderen die het hardst schreeuwen om onze aandacht. En ik bid dat zij hun belangrijke plek hier op aarde mogen innemen. In vrede.