14/10/2025
Ze liep vast in de veelheid aan gedachten.
Haar ogen naar de grond gericht, starend naar beneden, hopeloos herhalend wat er allemaal door haar hoofd ging.
Ik vroeg haar om diep uit te ademen.
Als vanzelf keek ze op en ging ze wat rechter zitten.
Terwijl ze me vragend in de ogen keek,
nam ze een diepe adem in,
en een diepe teug uit.
"Telkens wanneer je dit vastlopen herkent,"
zei ik haar terwijl ik samen met haar ook diepe, trage teugen adem nam,
"weet dan dat je altijd kan teruggaan naar deze focusvraag:
WAAR HEB IK OP DIT MOMENT BEHOEFTE AAN?"
We lieten de stilte even toe, tot ik de vraag herhaalde:
"Waar heb je op dit moment behoefte aan?
En soms,"
zei ik bevestigend op net dát wat we deden,
"soms is dat net het diepe ademen, diep zuchten,
of zelfs languit gapen.
Soms begint verandering net dáármee,
en dan mag je dat toelaten."
Ik zie haar schouders zakken.
Ik zie haar mondhoeken ontspannen.
En ze zucht, "ja, dat brengt wel rust."
Soms.
Soms is het niet méér dan dat.
Adem in.
Adem langzaam en diep weer uit.
Onze adem
is vaak het eerste
wat ons tot rust brengt.
En wanneer de maalstroom van 't leven ons meevoert,
kan net die rust,
het eerste zijn
waaraan we zo'n behoefte hebben.