07/09/2021
Hier de tekst van het aangepaste bezwaarschrift:
(Wie wil kan dit copy-pasten en online indienen via omgevingsloket (zie bericht hieronder), of zelf uitprinten en handtekenen (en indienen bij de gemeente of binnenbrengen bij ons (marktplaats 11, Montenaken) of in onze brievenbus steken. Wij verzamelen tot 13 september, dan gaan we ze indienen.
Het bezwaar:
Formeel én uniek, in persoonlijke titel ingediend bezwaar aangaande de omgevingsvergunning bekend gemaakt op 17.08.2021 (en openbaar onderzoek lopende tot 15.09.2021) voor de aanvraag van het optrekken van 3 windturbines te Montenaken door Limburg wind(t).
Dit bezwaar wordt als volgt gemotiveerd:
1. De communicatie omtrent de omgevingsvergunningsaanvraag laat te wensen over. De informatiesessie georganiseerd door de aanvrager maakte, mits het dankbaar inzetten van het online medium, wederom de burger helemaal monddood (enkel Q&A beschikbaar voor participant – geen video, spraak of mogelijkheid tot interventie – en men zag enkel de eigen vragen; aanvrager-orginsator koos de vragen en liet opnieuw geen ruimte voor de participant om specifieke vragen beantwoord te weten; er is geen mogelijkheid tot dialoog of gesprek, bijvragen of interventie).
2. Het MER en de omgevingsvergunningsaanvraag betreft nu, net zoals in de vorige versie van deze aanvraag, 3 bijkomende windturbines, maar er is geen duidelijke communicatie omtrent een totaalvisie. Wat zijn de definitieve en langetermijnplannen omtrent de eventuele bijkomende aanbouw van windturbines op Montenaaks en Gingeloms grondgebied? Ontwikkelaars lijken nu los van elkaar MER’s en aanvragen in te dienen terwijl het veel logischer en zinvoller zou zijn 1 overkoepelend MER te eisen en te vereisen van de verschillende ontwikkelaars dat ze 1 algemeen plan indienen en een overkoepelend MER opmaken in plaats van dit gefaseerd en disparaat te doen. Specifiek met betrekking tot de vraag naar een overkoepelend MER zijn er reeds precedenten, ook in de provincie (bv. regio Tongeren waar dit het geval is). Zonder zulk een definitief en overkoepelend plan lijkt het toch sterk aangewezen in de tussentijd géén verdere vergunningen af te leveren.
3. Er wordt in de aanvraag gesproken over ‘de bundeling’ en het aanhouden van het bestaande landschapsbeeld en het niet wijzigen ervan. Tevens spreekt men over 1 linie langs de E40 en de HST-lijn.
Dit klopt niet. Er wordt verkeerdelijk beweerd dat dit project door haar bundeling de open ruimte in Vlaanderen beschermt. In dit gebied wordt net meer, zoniet alle, open ruimte ingenomen door windturbines door het aanvragen en initiëren van een tweede lijn. Op het inplantingsplan is duidelijk te zien dat de lijn windturbines langs de E40 (weliswaar wisselend van zijde) niet aangehouden wordt, aangezien deze specifiek met betrekking tot Montenaken-Gingelom hier al volzet is. Er wordt een tweede linie opgetrokken die véél dichter bij de woonkernen gelegen is én hoger zal zijn.
4. In verband met bezorgdheid (3) is het uiterst belangrijk de resterende open ruimte en dus woon- en leefkwaliteit van de lokale bewoner te beschermen. Als we kijken naar de geografische ligging van Montenaken (en voormalig Klein-Vorsen en aangesloten Kortijs) als een langgerekt dorp, dan valt op dat de kwalitatieve open ruimte en natuurwaarde vooral ligt aan de zuidwestelijke zijde van Montenaken, daar waar het open veld en typisch Haspengouws glooiend landschap ruimtelijk een grens kent door de autostrade waar ook de vorige windmolens gerealiseerd werden. Het grote verschil nu is dat bij dit voorstel de inplanting niet in lijn zal geschieden, ondanks de claim die de vergunningsaanvraag daaromtrent maakt, maar dat deze nieuwe aanvraag de kwalitatieve ruimte die resteert volledig inpalmt en daarbij veel dichter bij de woonkern opschuift. De hypothetische realisatie van deze windmolens zou betekenen dat Montenaken géén open ruimte meer kent aan zuid-zuidwestelijke zijde aangezien alle velden en ruilverkavelingswegen dan direct getroffen worden door deze nieuwe windpalen. Dit treft het gros van de bewoners die net deze open ruimte als uitvalsbasis benutten. Met andere woorden, de landelijke open ruimte die Montenaken kenmerkt en als waardevol wordt ervaren - de nood aan open en groene ruimte is meermaals bevestigd in onderzoek naar leef- en woonkwaliteit - zal dan volledig teniet gedaan worden, wat bijzonder betreurenswaardig is voor een landelijk dorp waar op zijn minst een groot deel van de mensen zich bewust huisvesten om net die open ruimte te laten bijdragen aan hun leef- en woonkwaliteit. Dit zal dus nefast zijn voor de bewoners. Hoe kan de aanvrager en/of de gemeente en/of de provincie het innemen van alle open ruimte in een landelijk dorp verantwoorden zonder te erkennen dat leefkwaliteit zwaar geschaad wordt? Er zal immers voor de gehele as langswaar Montenaken is opgetrokken géén open veld meer ter beschikking zijn om te wandelen, fietsen, vertoeven, ontmoeten en sporten zonder directe invloed van de nabije windmolens.
5. Tevens zijn we bezorgd dat het kleinschalig toerisme, dat het nu vooral van wandelaars en fietsers moet hebben, hieronder (cf. 4) te lijden zal hebben. De aanvrager verzaakt aan het tonen van zichten die minder gunstig zijn voor de aanvrager. Nu resteert in de velden verzicht en open ruimte als men zich daar begeeft, in het bijzonder met de rug richting E40 en de windturbines is duidelijk dat deze open ruimte geheel gehypothekeerd wordt door het oprichten van een tweede linie. Het kleinschalig toerisme zal hieronder te lijden hebben aangezien ook toeristen deze fiets- en wandelroute niet meer op eenzelfde kwalitatieve (en rustgevende) manier kunnen ervaren en benutten.
6. In verband met (4) valt op te merken dat zeer weinig burgers zich verzet hebben tegen de vorige vergunningen van windturbines. Ook wij hadden geen bezwaar – de klimaatuitdagingen zijn belangrijk en onderschrijven we – maar de verdere uitbreiding wordt ervaren als een inbreuk op onze leefkwaliteit in een landelijke gemeente. De natuurwaarde en de recreatieve waarde van de nabijheid van deze open velden zou bij deze verdere uitbreiding té zeer onder druk komen staan. Nogmaals, het lijkt niet te verantwoorden alle landelijke open ruimte te benutten met windturbines. Er moet ook nog open ruimte zijn, voor de fauna en flora en ook voor bewoners en recreanten.
7. Gezien de nabijheid bij de woonkern van Montenaken verschuilt de aanvrager zich achter de 8u-lijn van slagschaduw die onder andere de markt en de school “net niet affecteert”. Dat betekent wél dat er slagschaduw zal zijn op de school en zelfs nog meer op de recreatiezone het Meerplein waar de gemeente onlangs in investeerde. Op zijn minst zou men toch een school volledig moeten vrijwaren van slagschaduw. Dit geldt evenzeer voor zulke publieke voorzieningen om hun gebruikskarakter (als aangename ontmoetingsplaats) te waarborgen.
8. De aanvrager wimpelt de vraag naar de daling van de vastgoedwaarde van woningen in de regio af met de stelling dat daar geen bevestigende rapporten over bestaan. De vraag is eerder of ze bereid zijn daar onderzoek naar te doen en daar gevolg aan te geven. Vermoedelijk is er daar geen onderzoek naar. (Gezien aanvrager in jaarrekening van 2020 een winst en vergoeding van het kapitaal boekte ter waarde van € 9 681 396,48 of een dividend van € 19 209,12 per aandeel lijkt er zeker ruimte voor dergelijke studie, indien deze werkelijk onafhankelijk zou geschieden.)
Daarnaast zijn er enkele meer gedetailleerde bezorgdheden i.v.m. de eventuele uitvoering:
9. Is het niet onlogisch dat er een hogere hoogte vergund zou worden voor de windturbines die dichter bij de woonkernen gelegen zullen zijn dan de reeds bestaande? De tiphoogte wordt voorzien op 200m. De bestaande hebben een hoogte van 150m. Het druist toch tegen elke logica in om een tweede lijn windturbines dichter bij de woonzone/dorpskern een hogere tiphoogte van 200m te vergunnen? Dit zal landschappelijk storend overkomen wat ook blijkt uit de visualisaties. Als de reden om voor 200m te gaan enkel en alleen is omdat dit de huidige gangbare types zijn op de markt, is deze ondergeschikt aan het welzijn van bevolking en aan de vrijwaring van het landschap. Verder zou een tiphoogte van 150m, indien toch overgegaan zou worden tot vergunning, alle slagschaduw wegnemen op bijzonder kwetsbare locaties zoals het marktplein en de dorpsschool van Montenaken.
10. Uit het dossier blijkt dat er een risico bestaat voor de vogels (Klasse 2 risicoatlas vogels – akkervogelgebied – risicovol) en vleermuizen (Klasse 1 – mogelijk risico). Dit zal hoogstwaarschijnlijk een impact hebben op de talrijke aanwezige vogelsoorten. Niet alleen de exploitatie van de windturbines, maar ook de constructie ervan zal een zwaar verstorend effect hebben op de aanwezige avifauna. De compensatie die voorzien werd (2,3 ha) is erg beperkt en slechts aanvullend op reeds heel wat hectares die in het projectgebied als wildakker zijn ingericht of onder een beheersovereenkomst van de VLM vallen. De komst van 3 nog grotere windturbines zal vermoedelijk een grotere negatieve impact hebben dan de positieve impact van de 2,3 ha aanvullende maatregelen. Omwille van negatieve adviezen omtrent waterlopen en van Agentschap Natuur en Bos voorziet de aanvrager lichte wijzigingen, maar wij zijn van mening dat deze de initiële problemen niet voldoende ondervangen. Daarom blijft ons bezwaar van kracht.
De referentie naar de bestaande windturbines i.v.m. dit risico is toch sterk bevraagbaar? De bestaande windturbines staan immers op de rand van het risicogebied; de aanvraag betreft windturbines middenin het risicogebied? Het Agentschap natuur en bos leverde in die optiek reeds een negatief advies af. (Wij hopen in dit verband uiteraard op een bestendiging van dit negatieve advies bij de aanvraag.) Daarenboven is het gebied opgenomen als ontwikkelingsgebied van de Grauwe Kiekendief en Grauwe Gors. Het MER beoordeelt WT4 als negatief die men vervolgens (momenteel) liet vallen uit de aanvraag. Is het niet vreemd dat het MER niet negatief beoordeelt voor de andere windturbines? Waarom is het gebied dan als ontwikkelingsgebied opgenomen? Voor de andere windturbines (WT1 tot WT3) stelt men maatregelen ter compensatie voor. Verwacht men dan dat deze vogels verhuizen? Hoe zit het dan met het gebrek aan een overkoepelend MER en plan voor alle eventueel toekomstige aanvragers? Of gaat men telkens opnieuw maatregelen (kunnen) nemen? Voor de avifauna en de ontwikkelingsgebieden te waarborgen is een overkoepelend MER toch noodzakelijk, zoniet de vrijwaring van de open ruimte?
Omtrent de vleermuizen was de vraag of het stilstandregime voor WT1 niet minstens ook voor WT2 toegepast moet worden aangezien WT2 tussen 2 trekpleisters voor vleermuizen in lijkt te liggen, maar men argumenteerde enkel voor de zone rondom WT1. Is het stilstandregime voor enkel WT1 wel voldoende? Er zou nu in de aangepaste aanvraag meer stilstand voorzien worden, maar is deze maatregel wel voldoende? Dit lijkt niet het geval; veel meer lijken dit procedureel-tactische aanpassingen om de gewijzigde aanvraag formeel in orde te krijgen zonder de eigenlijke problemen en bezorgdheden met betrekking tot deze open velden, voor mens en natuur, werkelijk te behartigen of respecteren (en van de aanvraag af te zien na de eerste negatieve adviezen en deze negatieve adviezen en de geformuleerde bezwaren te kunnen ontlopen). De vraag blijft dan ook als dit uitgebreid stilstandregime voor twee van de drie windturbines wordt toegepast of het energetisch optimalisatieprincipe nog nageleefd wordt en of de geplande turbines überhaupt nog rendabel zijn.
11. Tijdens de eerste informatiesessie beantwoordde men een vraag omtrent de vrees voor verlichte wieken met de melding dat dit wettelijk verplicht is. Dat was echter niet de vraag. De vraag was, gezien het pre-advies van Defensie in het kader van het oefengebied (HTA08 zone ligt hier, dus d.w.z. veel oefeningen), of het verplicht verlichten van de wieken en het eventueel ’s nachts oplichten van de dagverlichting van de windturbines niet als té storend ervaren zal worden gezien de dichtere ligging bij de woonkernen? De ervaring leert immers dat windturbines ’s nachts soms ook de dagverlichting gebruiken. Deze overwegingen zijn in het bijzonder van tel indien de tiphoogte 200m zou bedragen.
Gezien deze bemerkingen zien wij ons genoodzaakt voor deze verdere uitbreiding van de bestaande windmolens deze keer wel (opnieuw) bezwaar aan te tekenen (voor een nagenoeg zelfde aanvraag). Het valt duidelijk te argumenteren dat het recht op kwalitatieve open ruimte gewaarborgd moet worden voor een landelijk dorp en gemeente die als gemeenschap al voldoende hun plicht hebben vervuld met de reeds bestaande windmolens. Niet alle open ruimte dient te verdwijnen omdat er reeds windturbines deel uitmaken van het landschap. Nogmaals, het argument kan niet zijn dat omdat er al windturbines staan dat omwonenden alle open ruimte verloren moeten zien gaan aan meer windturbines tot er geen kwalitatieve open ruimte meer resteert. Dit argument geldt evenzeer voor de natuur en dieren. Temeer, gezien de nabijheid bij de woonkern valt deze aanvraag nog meer in vraag te stellen. Tenslotte herhalen we graag de nood van een overkoepelend plan en een overkoepelend MER waarin de burger daadwerkelijk gehoord wordt – ook hier zijn precedenten voor.
De nood om gehoord te worden en te participeren in het beslissingsproces dient op zijn minst gerespecteerd te worden en dit in het bijzonder omdat het daadwerkelijk gaat om het innemen van de laatste open ruimte en precaire natuur die hier resteert terwijl deze een duidelijk onmiskenbaar waardevol karakter heeft voor de leefkwaliteit van omwonenden en het kleinschalig toerisme en dieren. De huidige inspanningen vallen bijzonder schaars te noemen en hadden eerder tot doel de burger te passeren en monddood te maken. Daarenboven zijn er dus heel wat bedenkingen te plaatsen omtrent de risico’s voor de avifauna en, gerelateerd daaraan, de type windturbines en hun beantwoording aan het energetisch optimalisatieprincipe.
Deontologisch zou het daarenboven gepast zijn van de aanvrager om na de negatieve adviezen af te zien van de (ondertussen persistente) aanvraag alle kwalitatieve open ruimte in deze landelijke omgeving te benutten in het oog van winstvermeerdering (zie publieke cijfers boekjaar 2020 Limburg Wind(t)) en ten koste van leef- en woonkwaliteit een vernietiging te ambiëren van waardevolle natuur, open landschap en zeldzame gevrijwaarde veld- en natuurgebieden die ook reeds als zodanig erkend worden.
Hierbij, op datum van ……………………………te……………………………………………...
bezwaar neerleggend op basis van bovenstaande motivatie,
onderteken ik,
(voornaam & naam)
…………………………………………………………………………...
(adres)
…………………………………………………………………………...
(handtekening.)
…………………………………………………………………………...