03/09/2026
Ann Van Hoorebeke (65) en haar man Jo Debaveye (72) uit De Pinte zorgen geregeld voor de drie kleinkinderen. Een logeerpartijtje hier, een dag in het weekend daar, eens de kinderen ophalen van school en elke woensdag opvang van 11.30 uur tot 18.00 uur. “Dat laatste doen wij heel graag, maar nadien ben ik doodmoe”, geeft Ann toe. “Het feit dat ze voortdurend ‘oma, oma!’, roepen en om de haverklap iets anders willen, zorgt ervoor dat ik niet eens meer kan nadenken. Ik ben niet alleen fysiek maar ook mentaal overbelast.” Al drie jaar stelt ze daarom een opleiding als stadsgids uit, want die valt op woensdagavond.
Toch is weigeren om op woensdag opvang te bieden niet aan de orde: “We willen onze kinderen helpen en de goede band met onze kleinkinderen behouden.” Maar de komst van een vierde kleinkind, nu vijf maanden oud, stelt het koppel voor een probleem. “Op drie kleuters én een baby passen, dat kan ik eigenlijk niet aan”, zegt Ann.
Ann en Jo zijn niet de enige grootouders in die situatie. Volgens onderzoek van MyFamily (2025) bij 600 Vlaamse 60-plussers ervaart 25 procent van alle grootouders het grootouderschap als veeleer belastend, 4 procent vindt het enorm belastend. Als grootste uitdagingen noemen grootouders de eigen fysieke beperkingen en het tekort aan energie. Toch is het onderwerp nog taboe. Klagen over de zorg voor je kleinkinderen, dat past niet. Maar niets doen kan de boel doen escaleren.
Hotel Oma en Opa
Precies dat wil pedagoge Lynn Geerinck vermijden met haar boek Hotel Oma en Opa: de rol van grootouders in gezinnen vandaag. Aan de hand van getuigenissen wil ze herkenbaarheid én handvatten aanbieden aan grootouders en gezinnen die worstelen met de opvang. “Het is bijna vanzelfsprekend als het goed loopt. Maar soms kan het ook schuren, en daar heeft bijna niemand het over.”
Sommige grootouders worden eigenlijk overbevraagd. “Als ze dan hun grenzen niet kunnen of durven aangeven, laten ze zich wel heel vaak inschakelen”, zegt Geerinck. Dat komt niet alleen door het aantal uren opvang, maar ook door de invulling ervan. Grootouders zitten tegenwoordig niet zomaar meer aan het hoofd van de tafel terwijl de kleinkinderen zich bezighouden. Ze gaan letterlijk door de knieën, om er op het tapijt mee te spelen. Ze gaan met hen op uitstap, op vakantie, en leren ze zwemmen of fietsen.
Die overbelasting dreigde voor Ann toen de vraag in de lucht hing om op woensdagmiddag ook voor het vierde kleinkind te zorgen. En grenzen stellen, dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
“Aangeven dat het vierde kindje ‘te veel’ is? Dat zou ik niet gekund hebben”, klinkt het emotioneel. “Gelukkig begon mijn zoon er zelf over. Hij zei me dat hij wel inzag dat drie kleuters én een baby te veel is voor ons. Ze hebben hem nu ingeschreven in de crèche. Hoe ik reageerde? Opgelucht. En als hij wat ouder is, kan hij hier dan ook gerust op woensdagmiddag blijven.”
Als kers op de taart gaat Ann dit jaar toch beginnen aan haar opleiding als stadsgids. “Zij het met enige ongerustheid.” (lacht)
Voor Geerinck is het een goed voorbeeld van hoe je de angel eruit kunt halen door de dingen bespreekbaar te maken. “Het gesprek aangaan, dat is de kern van de zaak”, zegt ze. “Desnoods via een brief als dat beter werkt.”
Maatschappelijk fenomeen
Het verhaal van Ann en Jo is geen uitzondering, maar hangt samen met brede maatschappelijke ontwikkelingen. Zo is het tweeverdienersmodel de norm, waardoor de vraag naar opvang automatisch groot is. Formele kinderopvang schiet daarbij soms te kort - te weinig personeel, te duur, alleen overdag - waardoor de vraag bij de grootouders terechtkomt: de enige overblijfselen van de village die nodig is ‘to raise a child’.
“In elk geval is de betrokkenheid van grootouders groot”, stelt Philippe Noens, lector gezinswetenschappen aan de Odisee-hogeschool, die onderzoek doet naar grootouderschap. “Uit Europese studies blijkt dat 44 procent van de grootmoeders en 42 procent van de grootvaders regelmatig of occasioneel betrokken is bij de opvang van kleinkinderen. In Nederland gaat maar liefst 60 procent van de kinderen tot 4 jaar op vaste dagen naar hun grootouders.”
In vier op de tien Vlaamse gezinnen helpen grootouders wekelijks - en in een op de drie gezinnen maandelijks - bij de opvang en/of het vervoer van de kleinkinderen, zo toont een recente Gezinsbarometer van de Gezinsbond (2026). “Zeker in situaties van ziekte, werkloosheid of echtscheiding kan de betrokkenheid van de grootouders nog toenemen”, aldus Noens.
Maar ook de grootouders zelf evolueren. Iedereen leeft langer, waardoor oma en opa soms nog voor hun eigen ouders moeten zorgen ook - de zogenaamde sandwichpositie. Ze moeten zelf langer werken, en soms zijn de eigen ‘nestklevers’ nog niet goed het huis uit, of daar is het grootouderschap al. “Een rustperiode waarin genoten kan worden van rust of reizen, zit er niet altijd meer in”, zegt Geerinck.
Plusgrootouders
Bovendien moeten grootouders ook rekening houden met veranderende gezinsvormen, waarbij plusgrootouders wél of niet actief voor de kleinkinderen van de nieuwe partner willen zorgen. En dat gaat soms gepaard met moeilijkheden.
“Ik heb zeven jaar voor mijn terminaal zieke man gezorgd”, zegt Karin Heirstraeten (68) uit Antwerpen. “Toen mijn zoon en dochter nadien een diploma op zak, een relatie en werk hadden, dacht ik: nu is het even aan mij. Met mijn nieuwe partner – die alleen nog wilde reizen - fietste ik de hele winter door Azië. In het voorjaar trokken we door Afrika.”
Vijf jaar later kwamen de kleinkinderen. “Als mijn dochter dan met een zieke baby of stakende scholen te maken kreeg, vond ik dat heel moeilijk, te meer omdat haar schoonouders er niet meer zijn. Maar mijn partner kan niet thuis zijn, reizen is het enige wat hij wil doen. Hij ziet het ook helemaal niet zitten om voor mijn kleinkinderen te zorgen, die de zijne niet zijn.
“Ik heb toen dikwijls met een soort van schuldgevoel rondgefietst: ‘Mag ik dit nu wel doen?’ Enerzijds vond ik van wel, na al die zorg mocht ik eindelijk iets voor mezelf doen. Anderzijds genoot ik daar niet helemaal van, omdat ik wist dat ze thuis met problemen zaten, omdat mijn dochter bijvoorbeeld geen opvang vond als ze op teambuilding moest.”
Een nieuw evenwicht werd dus gezocht én gevonden. “Ik ben nu een alles-of-niets-oma. In december, april, juli en augustus ben ik thuis – mijn partner blijft in Azië - en doe ik álles voor mijn dochter en haar drie kinderen. Dan kook ik, doe ik de naschoolse opvang en zorg ik er tijdens de grote vakantie wekenlang dag en nacht voor. Dat valt me zwaar, vooral mentaal, want drie kinderen is echt wel anders dan twee (lacht). Maar ik doe het met heel veel liefde en ik krijg ik er ook heel wat voor terug. En omdat mijn dochter me die reizen volledig gunt, voel ik nu geen schuldgevoel meer.”
Grootouderlijke burn-out
Zowel Ann en Jo als Karin hebben een modus vivendi gevonden die het hen toelaat bij te springen zonder zichzelf helemaal weg te cijferen. Maar dat is helaas niet bij iedereen zo. In haar boek haalt Geerinck de getuigenis van Jeanne* aan, wier dochter bewust alleenstaande moeder is. In zekere zin vervangt Jeanne de tweede ouder, zowel op praktisch als emotioneel vlak. Toen haar dochter haar meedeelde dat er een tweede kindje onderweg was, viel haar dat heel zwaar. Er werd opnieuw een engagement van haar verwacht dat niet paste bij haar stijgende leeftijd. Maar ze voelde dat ze eigenlijk geen keuze had.
“Onderzoek toont aan dat vooral die intensieve, regelmatige zorg samenhangt met meer depressieve gevoelens”, zegt ze. “Het wordt problematisch wanneer grootouders structureel de gaten in het systeem moeten dichten. Het zijn zij die vatbaar zijn voor de grootouderlijke burn-out. Want ook daar wordt nu – na de parental burn-out - steeds meer over gesproken”, zegt Geerinck.
Zijn grootouders met een burn-out een toenemend probleem? Philippe Noens nuanceert. “Op dit moment is daar nog geen sterk bewijs voor,” zegt hij, “die onderzoeken zijn lopende.”
Noens wil zelfs bewust afstand nemen van de doemverhalen rond de grandparental burn-out. “De meeste grootouders genieten enorm van de band met hun kleinkinderen, die ze heel betekenisvol vinden”, zegt hij. Volgens het onderzoek van MyFamily vindt 91 procent het grootouderschap leuk tot fantastisch. 88 procent van de grootouders is gelukkig, tegenover 84 procent van alle 60-plussers. “Vaak is het grootouderschap eerder een bron van energie dan van uitputting”, aldus Noens. “Al zeggen die grootouders evengoed blij te zijn als de kleinkinderen weer vertrekken.” (lacht)
Wel helpen, niks zeggen
Is alles dan peis en vree? Dat nu ook weer niet. Volgens onderzoek bevinden grootouders zich in een spanningsveld. Ze moeten er zijn, maar tegelijk de autonomie van de ouders en hun opvoedingsaanpak respecteren.
“Ze mogen wel helpen, maar niks zeggen”, vat Geerinck het samen. “Ouders hebben heel graag autonomie in hun opvoeding, en worden niet graag verteld hoe ze het moeten doen. Ze vinden het niet leuk als hun ouders zeggen ‘dat het in hun tijd allemaal niet waar zou zijn’.” Die dubbele verwachting – niet-interferentie in vakjargon - is voor vele grootouders soms dansen op een slappe koord. “Maar vaak gaat het om hoe iets verwoord wordt”, zegt Geerinck. “Millennials willen graag dat iets juist benoemd wordt.”
Bij zowel Ann en Jo als Karin lijkt dat nogal mee te vallen. Alle drie hanteren ze het credo ‘mijn huis, mijn regels’. “Zo wordt er bij ons alleen aan tafel gegeten”, zegt Ann. “Daartegenover staat dat ik het dan weer moeilijker heb om een grens te stellen aan de schermtijd. Dus kijken ze hier meer.”
Noodzaak
We moeten dat beroep op die grootouders dus niet problematiseren en er meteen termen als burn-out bij halen. Maar we mogen het ook niet vanzelfsprekend vinden. "We hebben grootouders wel héél vaak nodig", zegt Noens. "Het probleem ontstaat wanneer die beschikbaarheid een verwachting wordt. En grootouders zich bijna moeten excuseren als ze niet kunnen omdat ze bijvoorbeeld ziek zijn, of zelf eens een dagje met hun tweetjes naar zee willen."
Die verwachting leeft soms op gezinsniveau, maar evengoed maatschappelijk. “Een pedagogisch interessante bedenking is dan ook de volgende: wanneer begint die vrijwillige betrokkenheid ongemerkt een maatschappelijke noodzaak te worden?”, zegt Noens. Dat in Nederland 60 procent van de kinderen tot 4 jaar op vaste dagen naar oma en opa gaat, is dan ook geen toeval. Bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag zijn daar de oorzaak van.
De Gezinsbond waarschuwt al langer voor een scenario waarbij opvang bij oma en opa essentieel wordt om zelf te kunnen gaan werken. De organisatie dringt aan op maatregelen die gezin en werk beter combineren, zoals toegankelijke verlofstelsels en betaalbare, kwaliteitsvolle en toegankelijke opvang.
“Op zich is het niet problematisch dat grootouders veel inspringen”, zegt woordvoerder Lien Swinnen. “Maar we merken wel dat ze cruciaal zijn geworden om het allemaal rond te krijgen.”
Haves en havenots
Bij de Gezinsbond zien ze nu twee scenario’s. “Enerzijds heb je gezinnen die op hulp van de grootouders kunnen rekenen en daardoor met twee een voltijdse job kunnen uitoefenen. Anderzijds zijn er gezinnen die alleen een beroep kunnen doen op het formele kinderopvangnetwerk. Maar door het plaatstekort in crèches, de beperkte openingsuren en de soms vele sluitingen door uitvallende medewerkers, merken we dat het voor die gezinnen echt wel moeilijker wordt om allebei fulltime te gaan werken. En dat heeft later dan een negatieve impact op het pensioen”, aldus Swinnen.
Die tweedeling tussen gezinnen met een informeel netwerk en die zonder, stelt ook Geerinck keer op keer vast als ze lezingen geeft over het onderwerp. “Gezinnen die op hun grootouders kunnen rekenen, bijvoorbeeld voor een oudercontact, worden - excusez le mot - een beetje lui. Bij gezinnen die dat niet kunnen, merk ik wrevel.”
Het belang van dat sociaal kapitaal - zoals de Franse socioloog Pierre Bourdieu die steun door vrienden, familie, clubs, netwerken enzovoort noemt - is daarmee terug van nooit weggeweest. Wie een sterk informeel netwerk heeft, kan het zich veroorloven om met z’n tweeën te gaan werken en op te klimmen. Wie dat niet heeft, moet al veel geld hebben om gelijkaardige flexibele steun in te schakelen. Wie ook dat niet heeft, dreigt te verarmen. “Hoe dat precies zit met de pensioenhervorming, zijn we nu aan het nagaan”, aldus Swinnen.
Ook de pas afgelopen zomervakantie hebben veel kinderen deels in ‘Hotel Oma en Opa’ doorgebracht, dat na het hoogseizoen gewoon open blijft. Maar wat denken de grootouders daar zelf van? En welke impact ondervinden zij?